14 november 2005

Al… Toch!

Al zal de vijgenboom niet bloeien,
al zal de wijnstok niets voortbrengen,
al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,
al zal er geen koren op de akkers staan,
al zal er geen schaap meer in de kooien zijn
en geen rund meer binnen de omheining –
toch zal ik juichen voor de HEER,
jubelen voor de God die mij redt.
God, de HEER, is mijn kracht,
hij maakt mijn voeten snel als hinden,
hij laat mij over mijn bergen gaan.
Voor de koorleider. Bij snarenspel.
(Habakuk 3:17-19)

Lieve Vader,
Is dit een prachtig stukje poëzie van uw koning-knecht David of van een van uw andere psalmisten? Nee, deze verzen werden geschreven door Habakuk, een van uw kleine profeten die hier schrijft als een groot dichter!
In mijn woonplaats zijn er geen vijgenbomen, wijnstokken of olijfoogsten, Heer. Maar ik begrijp wat Habakuk wil zeggen. Ik heb geen schapen of runderen, maar ik stem toch in met de woorden van uw nederige dienstknecht.
Zelfs wanneer U mij niet langer zegent met een goed gevulde tafel en zelf als mijn inkomstenbron totaal opdroogt – toch zal ik mij verheugen en U prijzen! Niet omdat ik daar zin in heb, maar omdat ik mijn vertrouwen in U weiger op te geven! Ik zal springen van blijdschap en boven alle levensomstandigheden uitstijgen – met of zonder begeleiding van snarenspel!